Pietje is een grasparkietje. Zolang hij vanuit zijn jonge leventje kan herinneren woont hij in de dierenwinkel, die ene op de hoek. Hij heeft daar een ruime kooi, want de baas van de dierenwinkel vindt het belangrijk dat vogels de ruimte hebben. Pietje kan met zijn buurman kwetteren, maar ook met de mooie vrouwelijke grasparkiet van twee kooien verder. Jantje, zijn buurman, is nogal een opschepper. Hij heeft het er al heel lang over hoe fijn het is om gekocht te worden door échte baasjes. ‘Mensen kijken naar je, en als je ze vertrouwt en als je kunstjes voor ze doet, zoals kusjes geven en over je koppie laten aaien, dan kun je het heel erg naar je zin hebben. Ze geven je speelgoed en als je geluk hebt woon in een hele mooie kooi waar je heel vaak uit mag.’
Jolly, de vrouwelijke grasparkiet van twee kooien verder, waarschuwt Pietje: ‘Ja, maar als je échte baasjes hebt, dan moet je leven zoals zij dat willen. Je moet maar geluk hebben bij wie je terecht komt.’ Ze kijkt een beetje sip als ze dat zegt. Kees, de parkiet van de kooi aan de overkant, heeft Pietje wel eens toegfluistert dat Jolly het paradeparkietje van een familie was. Maar die mensen hadden een klein jongetje, die heel gemeen kon zijn. Toen hij Jolly een keer hard aan haar mooie staart trok toen ze geen kusje wilde geven, beet ze hem in zijn lip. De baasjes hebben Jolly toen weer teruggebracht naar de winkel.
Pietje weet het allemaal niet zo goed. Aan de ene kant wil hij wel graag echte baasjes hebben, die naar hem kijken als hij kwettert en die om hem lachen als hij zijn kunstjes doet en kusjes geeft, maar aan de andere kant is hij te trots om teruggebracht te willen worden.
Op een dag staat er een kleine familie in de winkel. Ze zijn al een paar keer langs de kooi van Pietje gelopen en zij hadden hem al een paar keer bekeken. Aangemoedigd door Buurman Jantje en zelfs door een twinkeling in de kraaloogjes van Jolly, poetst hij zijn veren extra glad, en gaat wat rechter zitten dan dat hij normaal doet. Hij kwettert er lustig op los. Het heeft effect. De familie koopt Pietje. Vlak voordat hij in een reiskooitje wordt gestopt, ziet hij Jolly en Jantje met hun vleugeltjes zwaaien en zij kwetteren dat ze achter hem staan en dat vooral moet doen waar hij denkt dat hij goed in is en wat hij leuk vindt om te doen.
De eerste dag bij de familie kwettert Pietje vrolijk. De familie vindt het leuk en heeft inmiddels een middelgrote kooi gekocht voor hem en hij kan zijn draai in zijn nieuwe huis goed vinden. De kinderen van de familie lijken het leuk te vinden om naar hem te kijken en dat moedigt hem aan om vrolijk door te gaan. Hij zingt misschien niet altijd zijn beste lied, want hij is soms nog niet helemaal zo goed bij stem, maar hij weet dat hij het in zich heeft om een heel mooi lied te kunnen kwetteren.
Dan, op een dag, komt de vader ’s morgens als eerste beneden. Pietje zit een beetje zijn stem op te warmen, hij heeft een mooi liedje in gedachten die hij deze ochtend als welkom voor vader wil zingen. Dan doet de vader iets onverwachts. Als hij Pietje aankijkt, zucht hij en schudt hij zijn hoofd. En zucht nog een keer. Dan staat hij op, pakt een donkere doek en legt die over de kooi. Pietje kan nu niet meer de kamer in kijken en instinctief lijkt het nacht te zijn terwijl hij niet moe is. Zijn instinct wint het van hem en langzaam sukkelt hij in slaap.
Opeens wordt de doek van zijn kooi af gehaald en hij ziet de jongste dochter voor zijn kooi staan. Verwachtingsvol kijkt zij Pietje aan en zachtjes begint Pietje te kwetteren. Even mag hij uit zijn kooi en heel even denkt Pietje dat alles weer bij het oude is, tot de moeder thuis komt. Zij zegt iets tegen het meisje in mensentaal en het meisje stopt Pietje weer in de kooi. De moeder legt de doek weer over de kooi. Pietje gaat maar weer slapen terwijl hij droomt van een familie die gezellig op zondagmiddag in de huiskamer zit: vader leest de krant, moeder een damesblad, de zoon een blad over muziek en het meisje zit te handwerken. Allemaal kijken ze af en toe naar Pietje, die vrolijk kwettert. Als ze naar hem kijken, glimlachen ze en gaan vrolijk weer verder waarmee ze bezig zijn. Het is niet het hoogste lied dat Pietje zingt, maar het is wel de manier waarop Pietje van droomt. Hij is een belangrijk onderdeel van het geheel.
Het is maar de vraag of Pietje’s droom werkelijkheid wordt. Want als hij steeds in het donker zit, in een kooi die steeds kleiner lijkt daardoor. Hoe moet hij groeien? Hoe kan hij zingen terwijl zijn kleine geestje denkt dat het nacht is en hij zou moeten slapen? Is een half uurtje van een dag genoeg voor Pietje terwijl er 24 uur in een dag zitten? Kan hij die moed erin houden? Vaak denkt Pietje aan Jolly. Hij had beter naar haar moeten luisteren en zijn veertjes niet zo moeten poetsen. Dan had hij die dag niet gekocht geweest. Maar ja, aan de andere kant zou hij ook nooit weten hoe het is om bij een échte baas te zijn. Is het echt alleen maar een spel? En wie speelt met wie?