Tuinpaden
Mijn hand gaat door de bladeren van de struik en ik snuif hun geur op. Ik ben in mijn geboorteplaats, waar ondertussen veel is veranderd. Mijn ouderlijk huis staat er nog, mijn ouders wonen er nog. Het lijkt een leven lang weg, deze plaats, deze geuren, deze kleuren. Maar als ik daar loop… en ik kijk naar de steegjes waar ik vroeger op mijn fietsje doorheen fietste, nee, racete, zonder te beseffen dat er iemand uit de tuin kon komen en dat er dan een frontale botsing zou kunnen zijn… zonder te weten dat er gevaar is op elke hoek van de straat. Dat het loert vanuit zijn ooghoeken en mij kan vermoerzelen op elk desgewenst moment.
De zon schijnt in mijn ogen en ik hou mijn hand ervoor om ze te beschermen tegen zijn felle stralen. Even zijn mijn ogen in de schaduw, maar ik wil geen schaduw. Ik wil zon. Ik wil dezelfde zon op mijn voorhoofd en op mijn huid voelen, juist hier op deze plek waar ik vroeger ook de zon voelde. Ik loop een steegje in en loop langs de tuin van Karin. Ik vond haar nooit leuk en heb zelden met haar gespeeld. Onlangs is haar moeder overleden. Misschien had ik meer met haar moeten spelen, maar ze was altijd zo bazig en dat vond ik niet leuk. Daarnaast kijk ik uit op de tuin van Marion. Met haar heb ik wel vaak gespeeld en zij had onder haar bed van die lades zitten waar je speelgoed in kon opbergen. Haar moeder was altijd wel een beetje raar, haar vader was aardig, beetje ouderwets misschien. Pasgeleden heeft Marion een kindje gekregen. Ik ben benieuwd hoe het met haar gaat. Dan kom ik langs de tuin van Wesley. Hij was een snotjong (toen al) en ik loop gauw door want ik wil hem eigenlijk niet meer kennen. Na even doorlopen is er de tuin van Petra. Zij was erg leuk, maar toen ik een keer aanbelde om te vragen of ze kwam spelen, bleek dat ze haar verjaardagspartijtje vierde. Ik voelde me best lullig toen ik wel Marion en Karin zag zitten. Maar voor mij deed ze de deur dicht. Sindsdien kan ze de pot op. Trouwens, ik wilde toch al niks meer met haar te maken hebben omdat zij altijd de katten de eetborden schoon lieten likken en ze vervolgens ongewassen in de kast terugzetten. Dan de tuin van Nathalie, zij wilde me onlangs toevoegen op Hyves. Maar ik heb nog niet geaccepteerd. Ik vond haar altijd een jongetje. Ze spuugde altijd op de grond en haar vader was werkeloos maar deed alles en deed heel veel klusjes in de buurt. Volgens mijn ouders was hij een profiteur. Het klonk toen al fout, zelfs toen ik niet echt wist was dat was maar sinds die tijd heb ik besloten dat Nathalie ook niet helemaal fris moest zijn en haar broertje ook niet.
Dan komt het speeltuintje, waar ik vroeger schommelde en waar je nog op een speeltoestel kon wippen, zonder dat je daar verder iets raars bij dacht. In de zandbak ruilde ik blaadjes van de bomen voor hoopjes zand en takjes. Er was een net met klimtouw en je kon er op een hele grote wip zitten, waar je met zijn vieren op kon. Soms ging je, als je op de grond zat met de wip, er ‘per ongeluk expres’ vanaf zodat je de wip liet kletteren. Wist ik veel dat daar ongelukken van konden komen. Vroeger bestond er geen gevaar en geen ongelukken.
Ik herinner me nog het fluitje van papa, geen voetbalfluit, maar zijn eigen fluit. Hij kon erg mooi fluiten en deed dat heel veel en vaak. Hij had gewoon een vibrato in zijn fluit, prachtig was dat. Als we gingen eten, of ik moest binnenkomen, dat floot hij. En ik kwam naar binnen, net als je een hond naar je toe fluit. Hij zal dat nooit zo bedoeld hebben en ik heb dat nooit zo opgevat. Het was gewoon zo. De lantaarnpaal stond vroeger voor mijn raam, ik had altijd het schijnsel van de lamp in mijn slaapkamer. Het had iets vertrouwds. Ik heb vaak op mijn vernsterbank met de raam open gezeten en naar buiten gestaard, naar de sterren kijkend. Venus stak er altijd met al haar stralen bovenuit. Ik haalde haar er feilloos uit. Zelfs in donkere nachten kwam ik haar tegen en ik heb mezelf zovaak afgevraagd: is dit het nou?